Deze vijf dagen met de auto zorgden ervoor dat we zeven dagen achter elkaar niet hoefden te fietsen. Dit was erg prettig voor de pijn in mijn knie, omdat ik inmiddels zelfs moeite had met lopen. Af en toe betrapte ik mezelf erop dat ik me afvroeg of we na zeven dagen rust nog wel zouden kunnen fietsen. Zou het beklimmen van een berg opeens veel zwaarder voelen? (Ik verklap het alvast: nee, gelukkig niet. Je conditie gaat niet zo snel achteruit, haha.)
Nadat we met de Shinkansen terug waren gekomen in Nagoya, zijn we eerst naar de fietsen gegaan om te kijken of ze er nog stonden. Ondanks dat de fietsgarage op de tweede verdieping veel minder druk was dan de begane grond, waren we toch een beetje nerveus dat onze fietsen verwijderd zouden zijn, omdat het eigenlijk niet de bedoeling was dat ze daar stonden. Gelukkig stonden ze er nog, compleet met de koffie zoals ik eerder beschreef. Die koffie dronken we op in onze gehuurde Toyota Yaris. Hij was wat sneller dan de kei car die we in Takamatsu hadden gehuurd, maar al snel zouden we merken dat deze auto niet in ieder opzicht super handig was.
We reden vanuit Nagoya omhoog richting een van de best bewaarde postplaatsen in Japan: Magome-juku. Dit kleine dorpje ligt aan de Nakasendo, een lange bergweg tussen Kyoto en Tokyo die vroeger door veel reizigers en handelaren werd gebruikt. In dit soort postplaatsen konden zij slapen, eten en uitrusten. Magome-juku lijkt waarschijnlijk nog het meest op hoe het eruitzag tussen 1603 en 1867. Voor een plek die slechts anderhalf uur rijden is van een van de grootste steden in Japan, is het er heerlijk rustig. Langzaam wordt de plek wel wat toeristischer, maar het was nog niets vergeleken met de hoeveelheden mensen die we de laatste dagen hadden gezien in Kyoto. Over drukte en overtoerisme wil ik in een latere blog graag nog een keer uitweiden, maar deze blog hebben we al in tweeën moeten splitsen omdat hij zo enorm lang werd. Dat is een beetje het effect van de luxe van een huurauto; als je fietst, moet je overal naartoe peddelen, dus heb je over het algemeen minder interessante ervaringen op een dag dan wanneer je van de ene naar de andere plek kunt rijden met een auto. We hebben in Magome-juku rustig de tijd genomen om rond te kijken, foto’s te nemen, met de drone te vliegen en een hapje te lunchen: heerlijke koude sobanoedels.
De laatste keer dat we in Japan waren, reden we niet naar Magome-juku maar naar Narai-juku met de auto. Het was januari, een druilerige dag en alles was gesloten. Dat vonden we toen heel jammer, maar niet heel onlogisch gezien het trieste weer. Echter, nu stonden we hier, ruim vijf jaar later, en alles was weer dicht. We wisten eerlijk gezegd niet precies waarom. Deze keer konden we er gelukkig wel om lachen, we hadden die dag namelijk al zoveel moois gezien. Toon heeft even met de drone door de straatjes gevlogen (natuurlijk wel op veilige hoogte, je wilt er toch niet aan denken dat je in het gezicht van een oud vrouwtje vliegt die toevallig om de hoek komt lopen? Dat zou wellicht een van de snelste manieren om jezelf uit Japan te laten deporteren.
We reden verder richting Lake Suwa, een aanzienlijk kleiner meer dan Lake Biwa waar we een paar dagen eerder met ons tentje hadden gekampeerd. Lake Suwa is voor ons allebei een beetje speciaal. Toen we vijf jaar geleden voor het eerst een autootje hadden gehuurd in Japan, kwamen we per toeval ook langs Lake Suwa. Het schemerde toen we vanuit de bergen richting het meer reden en het was in elk opzicht een magisch uitzicht. Lake Suwa doet ons een beetje denken aan het dorpje in de bekende Japanse animatiefilm ‘Kimi No Na Wa’ (Engelse titel: *Your Name*, zeker een aanrader). Het was dus overbodig om te zeggen dat we erg blij waren hier terug te zijn. Uiteraard hebben we heel veel uit het autoraam gewezen, ‘wauw’ geroepen en de omgeving zoveel mogelijk in ons opgenomen. Het was inmiddels donker, maar er was nog een tempeltje dat we die dag graag wilden zien: Suwa Taisha. Het was lastig om foto’s te maken in het donker, maar het was heel mooi om de tempel te kunnen bekijken in het donker met enkel wat lantaarnlicht, zonder andere mensen om ons heen.
Voordat we op zoek gingen naar een plekje om te slapen, hebben we sushi gegeten bij een van de laatst bekende lopende-band-sushirestaurants die we nog niet hadden uitgeprobeerd: Kappa Sushi. We zijn nog steeds aan het nadenken over welke van alle ketens we het beste vinden. We twijfelen momenteel tussen Sushiro en Kappa Sushi, maar gelukkig hebben we nog dik drie maanden om daarover na te denken (vanaf het moment dat ik dit schrijf). Terwijl we aan het eten waren, zochten we op Google Maps naar goede slaapplekken. Dat doen we wel vaker; tegen de tijd dat we aan het avondeten zijn, bedenken we waar we die nacht het beste kunnen slapen. Het voordeel van een auto hebben, is dat we ons een iets ruimer zoekgebied kunnen veroorloven. We hadden twee plekjes uitgezocht, allebei waren het 展望台, officiële uitkijkpunten, dus ergens op een verhoging of een berg. Deze plekken zijn heel handig voor ons omdat er na het donker niet vaak mensen komen. Bovendien heb je meteen als je wakker wordt een supermooi uitzicht. De eerste optie viel snel af, want toen we moesten afslaan om bij de bergweg te komen, zagen we in het licht van onze autolampen een verfrommeld briefje aan een paaltje hangen. Hierop stond in het Japans met meerdere uitroeptekens: “Kijk uit, beeraanvallen!!!” Voor de rest stonden er geen icoontjes of tekeningen, maar dit was meer dan genoeg om mij in ieder geval de stuipen op het lijf te jagen. Toon heeft daar niet zo’n last van; die vindt het allemaal wel prima. Hij heeft ook wel gelijk, want de kans dat een beer je komt aanvallen als je ‘s nachts in je tent of auto ligt te slapen, is heel klein. Maar ik weet bij voorbaat al dat ik bij elk krakend takje rechtop in de tent zit. Ik voel me wel een tikkeltje schuldig over mijn angstigheid, maar ik kan het niet uitzetten. Dus op naar slaap-optie nummer twee!
Dit was een ander uitkijkpunt waar een ander, niet verlicht bergweggetje naartoe kronkelde. Dat waren echt flinke percentages waarmee we omhoog gingen. Er lag veel rommel op de weg en er zaten gaten in het wegdek. Bovendien moesten we uitkijken voor de goot die aan de ene kant van de weg lag, zo’n 70 cm diep. Als je daar met een wiel in zou komen, is heel je huurauto naar de knoppen, en dan sta je daar; op een willekeurige berg waar niemand te bekennen is. Misschien dat een beer of een zwijn je auto uit de goot zou komen tackelen, als je geluk hebt. Eenmaal bij het uitkijkpunt hebben we de auto geparkeerd en nadat we even naar het uitzicht hadden gekeken, hebben we geprobeerd om onszelf in de auto te installeren. In tegenstelling tot de kei car die we in Takamatsu hadden gehuurd, konden de stoelen van de Yaris nauwelijks naar achteren. Het is haast overbodig om te zeggen dat we enorm slecht hebben geslapen. Ik heb in een stoel in een halfrechtop positie geslapen, en Toon had zichzelf opgevouwen op de achterbank met zijn benen in de achterbak. Voortaan zouden we onze tent naast de auto opzetten.
We waren om kwart voor vijf wakker. Allebei hadden we van die dommige pijntjes, alsof we niet begin dertig zijn maar eind tachtig. Niet heel vreemd; zulke houdingen hadden we tijdens het slapen werkelijk nog nooit aan moeten nemen. Slapen in deze auto was geen goed experiment, dat zouden we de komende dagen niet nog eens proberen. Wel hadden we prachtig uitzicht, we hebben ons best gedaan het zo goed mogelijk vast te leggen. Ons plan voor deze dag was om in de ochtend in Takayama rond te gaan kijken, en in de middag richting Shirakawa-go te gaan. Toen we de berg via een ander weggetje, wat nauwelijks een weg te noemen was, afreden, zagen we tussen de bomen op een rots een groot zwijn staan dat ons verwilderd aankeek. Wij keken waarschijnlijk met precies dezelfde blik terug. Ik was stiekem toch een beetje blij dat we in de auto geslapen hadden, dit was echt een flink zwijn.
Het was ongeveer twee en een half uur rijden naar Takayama, maar het was pas half zes, dus we hadden zeeën van tijd. We zijn nog even gestopt bij een random dam, om even omlaag te loeren, want ja, dammen zie je niet vaak in Nederland, dus dat vonden we enorm indrukwekkend. We hadden aanvankelijk de intentie om naar Kami-Kochi te gaan, een prachtig nationaal park wat je misschien zou kunnen zien als een kleine versie van Yellowstone, om even een idee te geven. Maar ik had me laten vertellen dat het veel te vroeg in het jaar was en dat veel wegen nog gesloten zouden zijn wegens de sneeuw. Het was gewoonweg nog niet Kami-Kochi seizoen. En dit bleek ook, want onderweg richting Takayama kwamen we al heel wat sneeuw tegen (volgens Toon, ik was in slaap gevallen).
Takayama vind ik een beetje te vergelijken met Kyoto, maar dan veel kleiner, en in de bergen. Het heeft een mooi oud buurtje waar je doorheen kan lopen en prachtige tempels. Natuurlijk waren we in Takayama om die reden, maar ook voor andere redenen. We wilden naar het Showa Museum, een museum waarin kamers helemaal zijn nagebouwd en ingericht alsof je terug in de tijd gereisd bent naar het Japan van 1926-1989. Voordat we het museum gingen bekijken, zijn we teruggegaan naar een klein cafeetje waar we vijf jaar eerder ook met zijn tweeën waren geweest. Dit cafeetje wordt gerund door een familie; een vrouwtje van in de tachtig maakt daar de lekkerste broodjes. Bovendien konden we ons nog goed herinneren hoe vriendelijk ze was, en dat ze het leuk vond om een praatje met ons te maken. Omdat we toch terug waren in Takayama, wilden we daar graag nog een keertje langsgaan.
Eenmaal binnen en voorzien van de lekkerste broodjes hida-beef maakten we weer een praatje met haar. We vertelden dat dit onze tweede keer was in Takayama, en omdat we ons haar goed konden herinneren en haar broodjes erg lekker vonden, wilden we graag nog een keer in haar cafeetje eten. Ze was erg blij dat te horen en gaf ons zelfs twee zelfgemaakte onderzetters als cadeautje voor onze verloving. Wel had ze nog tegen Toon gezegd dat ze het maar vreemd vond dat hij zeven hele jaren had gewacht om mij ten huwelijk te vragen, dat je vrouwen niet zo lang moet laten wachten, en ze vroeg aan mij of hij wel lief voor me was. Ik verzekerde haar dat dat het geval is en ze glimlachte breed. Zij, haar dochter en een andere vrouw die ook was komen eten in het cafeetje, wensten ons veel geluk samen en zwaaiden ons uit toen we weggingen. De kans dat we haar ooit nog tegenkomen is enorm klein; volgend jaar gaat ze namelijk met pensioen, ze was al een tijdje voorbij de tachtig. Ze wist niet zo goed of ze naar haar pensioen uitkeek of niet. Ze was duidelijk geliefd door iedereen die in het cafeetje langskwam en had contant met alle bezoekers staan kletsen wanneer ze even niet in de keuken bezig was.
In dit museum wisten we haast van gekkigheid niet waar we moesten kijken. Het gebouw hing tot het plafond vol met allemaal oude spulletjes, posters en schilderijen. In het museum klonk de radio en we zagen zelfs een oude televisie met daarop een zwart-wit versie van de *Thunderbirds*, uiteraard Japans gesproken. Een ander koppel dat ook rondliep in het museum, zeker een stuk ouder dan wij, riep constant ‘懐かしい!’ (‘wat nostalgisch!’) Ondanks dat het museum vooral de sfeer weerspiegelde van hoe het leven van hun ouders en grootouders eruit moet hebben gezien. Het rook er zelfs een beetje anders. Net als in het museum in Fukuyama kan je hier waarschijnlijk een rondje of vijf doen en elke keer weer iets nieuws. Beschrijven hoe elke kamer eruit zag lijkt me geen goed idee, dan zit ik hier over 2 maanden nog. De foto’s hieronder zouden een goed idee moeten geven.
Na dit museum zijn we in de auto gestapt om door te rijden naar Shirakawa-go, maar dat bewaar ik voor de volgende blog (die hopelijk niet zo lang om zich laat wachten…)